Jaren 50: de opmars van de werkstudent

SUSA door de jaren heen

Voor bijna elke baan bemiddelt SUSA in de jaren vijftig een werkstudent. In een aantrekkende economie vinden zij werk van chauffeur tot schoenenmodel. Maar hoe vind je een dame met de juiste schoenmaat?

Ter gelegenheid van de opening van de Margriethal krijgt iedere bezoeker een margriet van de studenten.
Bron: artikel uit een krant van 7 september 1954.

Wat vooraf ging aan de jaren vijftig

Na de bevrijding maakt Nederland kennis met een nieuw fenomeen: de werkstudent. In Utrecht bemiddelt de voorloper van SUSA vanaf 1947 tussen werkgevers en de studenten. Eén van de baantjes in de jaren veertig staat bekend als het ‘oogstkamp’ en is even legendarisch als pittig voor studenten. Lees hier meer over de jaren veertig: de geboorte van de werkstudent.

Het is een komen en gaan van studenten en werkgevers in kamer 14 van het Universiteitshuis aan het Lepelenburg in Utrecht. Centraal in de kamer staan bakken gevuld met kaarten. Daarop staan de verschillende baantjes omschreven. Studenten grasduinen er naar hartenlust in. Op één van de bureaus staat een bakelieten telefoon. Die rinkelt onophoudelijk tijdens het spreekuur. De plaatsvervangend secretaris pakt de hoorn op. “Meneer, wij zullen ons best doen. Wij weten heel veel over onze studenten, maar hun maat schoenen? Nee, dat niet.” Een werkgever zoekt een dame met een bepaalde schoenmaat en de bedoeling is dat zij voor cliënten schoenen showt.

"Wij weten heel veel over onze studenten, maar hun maat schoenen? Nee, dat niet."

Deze kamer, het kantoor van de Faculteitencommissie voor Arbeidsbemiddeling (de voorloper van SUSA die in 1947 is opgericht), vormt het hart voor de studentenarbeidsbemiddeling in de jaren vijftig. Dit soort baantjes zijn populair, maar de plaatsvervangend secretaris heeft geen idee hoe hij een studente met de juiste schoenmaat kan vinden. Hij zit met zijn handen in het haar.

Het Universiteitshuis

In 1946 is het Universiteitshuis, beter bekend als het U-huis, opgericht dat is gehuisvest aan het Lepelenburg 1 in Utrecht. Naast een mensa, studentenwoningen en vergaderruimten is er ook onderdak voor de redactie van het universiteitsorgaan Sol lustitiae en de commissie. Het Universiteitshuis wil een ontmoetingscentrum zijn voor de gehele universitaire wereld. “Een Huis waar studenten van verschillende groeperingen met elkaar in contact kunnen treden, en waar zij tevens Hoogleraren en leden van de Wetenschappelijke staf kunnen ontmoeten.”

Werk in overvloed

Iedere maandag tot en met zaterdag zijn in het kantoor aan het Lepelenburg enkele commissieleden aanwezig om werkzoekenden en werkbieders te woord te staan. “Dikwijls en ook naargelang de drukte, is er ook ’s avonds iemand. Een onmisbaar hulpmiddel bij het werk is de eigen telefoon: 26301: een nummer, dat langzamerhand onder utrechtse werkgevers en onder de werkstudenten een geringe vermaardheid heeft gekregen”, valt te lezen in een brief die in de mensa ligt, gericht aan de vermoedelijk nieuwe lichting studenten en waarin uitleg staat over het U-huis.

Verderop in de brief aan de studenten staat: “Momenteel profiteren wij van de heersende hoogconjunctuur en het personeelstekort in vele bedrijven. In de afgelopen maand juni kwam het record-aantal van 103 banen binnen, waarbij onder een ‘baan’ wordt verstaan iedere aanvraag van een werkgever om een of meer werkstudenten. Het aantal bij de commissie ingeschreven werkstudenten bedroeg in die maand 650: 450 vast en 200 alleen voor vacantiewerk. Conclusie: ieder kan aan werk geholpen worden.”

Studenten promoten de nieuwste Spijker auto in 1954/55
Bron: eigen archief.

Meer werkstudenten

De economische opleving komt in de jaren vijftig in Nederland met gemiddeld vijf procent per jaar goed op gang. Tegen deze achtergrond krijgen steeds meer jongeren de kans om te studeren. De Utrechtse studentenpopulatie groeit in de jaren vijftig sterk. In 1940 studeren er circa 3000 studenten en eind jaren vijftig zijn dit er al bijna 7000. Het is een voorbode voor de explosieve groei die de ‘babyboomgeneratie’ vanaf de tweede helft van de jaren zestig veroorzaakt. Voor studenten en afgestudeerden is er volop werk te vinden.

Bijzondere bijbaan

Vanwege de uitdijende verzorgingsstaat en het toenemende belang van de dienstensector is de vraag naar personeel groot. Iets waarvan de werkzoekende student profiteert. Werkstudenten van SUSA vinden onder meer emplooi als typist of telefonist. Maar ook meer bijzondere baantjes zoals sprookjesverteller of schoenenmodel behoren tot de mogelijkheden. In 1959 werd door de commissie de vijfduizendste werkgever binnengehaald. Een heer die moeilijk ter been is, zoekt een werkstudent die op zaterdag boodschappen kan doen. Namens de commissie ontvangt de man een taart met vijf kaarsjes.

Baantjes van werkstudenten in de jaren vijftig

De mogelijkheden voor de werkstudent zijn legio in de tijd van wederopbouw. Werkgevers staan in de rij. Welke functies kon de werkstudent uitoefenen? Een kleine greep: vertaler, telefonist, bijlesdocent, chauffeur, pianist, aardbeienplukker, kelner, nachtwaker, verkeersteller, boodschappenhulp, hulpsinterklaas, babysitter, sjouwer, houthakker, orderpicker, gouvernant, sprookjesverteller, marketingmedewerker en schoenenmodel.”

Tijdens het spreekuur van de commissie treedt een jongeman de kamer binnen. Hij oogt studentikoos maar blijkt een werkgever en zoekt een werkstudent voor “vreemdsoortig werk”. Het gaat om een student die van augustus tot februari op vliegveld Soesterberg in een krantenkiosk moet staan. De student moet echter over een motorrijtuig beschikken om Engelstalige kranten en tijdschriften op te halen in Utrecht zodra deze gearriveerd zijn. “Het moet een vlotte jongen zijn die Engels spreekt en bij het arbeidsbureau krijg ik een kantoorbediende en dat is niet de bedoeling.” De commissie laat een advertentie plaatsen in de universiteitskrant, Sol Iustitiae.

Passende schoen?

Aan het eind van het spreekuur komt een studente binnen. De plaatsvervangend secretaris van de commissie vertelt over een baantje in een vleesfabriek, waarop de dame bedenkelijk naar haar handen kijkt. Dan heeft de plaatsvervangend een lumineus idee en vraagt haar: “Welke schoenmaat heeft u?”

In de jaren zestig blijkt dat de werkstudent een blijvertje is. SUSA staat pal achter de belangen van de studenten, maar bekijkt zichzelf ook kritisch. De studenten worden in de jaren ’60 zelfbewuster en nemen steeds meer hun plek in de samenleving in. Hoe pakt dat uit voor SUSA en de werkstudent?
Alle artikelen