Jaren 40: de geboorte van de werkstudent

SUSA door de jaren heen

Na de bevrijding maakt Nederland kennis met een nieuw fenomeen: de werkstudent. In Utrecht bemiddelt de voorloper van SUSA tussen werkgevers en de studenten. Eén van de baantjes in de jaren veertig staat bekend als het ‘oogstkamp’ en is even legendarisch als pittig voor studenten.

Groep studenten van de Universiteit Utrecht tijdens een diner bij een studiegenoot in 1945.
Bron: Het Utrechts Archief 805415, fotograaf onbekend.

In de film Soldaat van Oranje leidt een groepje studenten in de jaren veertig een onbezorgd leventje. In hun vrije tijd tennissen ze wat, ze rijden auto of motor, ze gaan naar feesten op de studentensociëteit en hun hospita legt ze in de watten. Studeren is tot aan de Tweede Wereldoorlog vooral een bezigheid voor de jonge elite van ons land. Het is slechts weggelegd voor de jongens en enkele meisjes die uit een bemiddeld milieu komen. De opvatting van de universiteit in die tijd is dan ook dat je als student vooral dient te studeren. Als daarvoor de middelen niet aanwezig zijn dan moet je niet studeren. Een student met een bijbaan is dan ook een zeldzaam verschijnsel, maar daar komt eind jaren veertig snel verandering in. Nederland staat aan de vooravond van een nieuw fenomeen: de werkstudent.

Armlastige studenten

Na de bevrijding stromen de collegebanken vol met studenten. Aan de Universiteit Utrecht, de grootste universiteit van Nederland, studeren in 1948 al 5000 studenten. Deze aanwas van studenten brengt echter ook een probleem met zich mee. ”Steeds meer studenten hebben kennelijk een achtergrond die financieel minder gegoed is”, valt te lezen in de universiteitskrant van Utrecht, Sol Iustitae. De universiteit vangt signalen op dat een derde van de studenten niet genoeg geld heeft om een dagelijkse warme maaltijd te bekostigen. Het is een groeiend probleem waarvoor snel een oplossing moet komen.

Utrecht vormt hierin geen uitzondering. Ook Leiden en Amsterdam hebben te maken met dit probleem van studenten met te weinig geld om zichzelf te bedruipen. Amsterdam vindt het bestaan van de werkstudent heel gewoon, terwijl Leiden en Utrecht dit vooral als een noodsprong zien. Sterker nog: in 1948 valt in een radioreportage te horen dat de Universiteit Utrecht vindt dat je beter niet kunt gaan studeren zonder dat daarvoor de middelen aanwezig zijn. Dat dit debat over wel of geen werkstudent een achterhoedegevecht is, blijkt uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), want in 1948 verricht al bijna een vijfde van de Nederlandse studenten betaalde arbeid.

Rijtoer van eerstejaarsstudenten van het USC over de Stadhuisbrug in Utrecht in 1946.
Bron: Het Utrechts Archief 350219 - Fotograaf: F.F. van der Werf
.

Werkstudent, een blijvertje

Het fenomeen werkstudent blijkt van blijvende aard en omdat er nog geen uitzendbureaus zijn, besluiten universiteiten hun studenten te helpen bij het vinden van passende arbeid. In Utrecht gaat dit niet zonder slag of stoot. Al in 1946 neemt de senaat zich voor om een commissie in te stellen bestaande uit hoogleraren en studenten: “Welke zich zal hebben te beraden over de mogelijkheden die er bestaan om voor studenten gelegenheid te vinden om in hun vrije tijd lonende arbeid te verrichten waardoor zij een niet onbelangrijk deel van hun studiekosten zouden kunnen dekken.” In 1947 ziet de Faculteitencommissie voor Arbeidsbemiddeling, de voorloper van SUSA, het levenslicht. SUSA kent haar oorsprong dus in deze commissie die bemiddelt tussen studenten en werkgevers. Studenten betalen drie gulden (met inflatiecorrectie zou dit nu ongeveer veertien euro zijn) inschrijfgeld waarmee de commissie, die werkt zonder winstoogmerk, de advertenties, acquisitie en bemiddeling van de studenten betaalt.

Bessen plukken in Brabant

De Faculteitencommissie voor Arbeidsbemiddeling in Utrecht is één van de eersten in zijn soort in Nederland. Met deze voorloper van SUSA verschijnt eigenlijk ook het eerste uitzendbureau avant la lettre. Eind jaren veertig is het aantal werkgevers dat studenten uit Utrecht aanneemt nog klein. Studenten vinden onder meer emplooi als drukker op de dictatencentrale en ook de Jaarbeurs werkt met studenten. Een terugkerende werkgever is de firma Nieuwenhuyzen & Zonen in het Brabantse Sas de Heen. Jaarlijks plukken Utrechtse studenten er aardbeien en bessen tijdens de oogst. Het ‘oogstkamp’ is even legendarisch als pittig voor studenten.

Studenten plukken, tijdens deze zogenaamde oogstkampen, gedurende drie weken in juni en juli aardbeien en zwarte bessen. Ook rapen ze aardappels, hakken ze onkruid en helpen ze oogsten in de landbouw. Slapen doen ze in daarvoor speciaal opgezette bedrijfsbarakken op “militaire strozakken”. Het bureau oogstvoorziening voorziet de firma van tafels en strozakken hetgeen de ‘kampsfeer’ bevordert. Studenten betalen één gulden vijfentwintig voor “zo goed mogelijke voeding tegen zo laag mogelijke prijs” welke dagelijks wordt bereid in de keuken door een vrouw uit het dorp.

Ter voorbereiding adviseert de firma de studenten om de volgende spullen mee te brengen:
  • Een rijwiel;
  • Twee dekens (eventueel lakens);
  • Kop, bord, mes, vork en lepel;
  • Oude werkkleding (liefst overall);
  • Rubberlaarzen of hoge schoenen;
  • Oude regenjas en veldfles;
  • Zwembroek, handdoek en zeep.

Bepakt stapt de werkstudent in Utrecht op de trein richting Roosendaal. De laatste, pak hem beet, twintig kilometer legt hij op zijn rijwiel af. Gedurende drie weken verricht de werkstudent zware fysieke arbeid gedurende 9,5 uur per dag. Het uurloon bedraagt vijftig tot zeventig cent per uur. Ter ontspanning luisteren de werkstudenten naar de radio of spelen ze kaart en voetbal. Ook kunnen zij in het weekend uit fietsen of gaan zwemmen in het Volkerak. Het devies van de firma luidt: “Vroeg naar kooi en ’s morgens op tijd aan de slag is meestal de grondslag van een goed resultaat.”

Studenten op de fiets bij een ijskraam op de Utrechtsestraatweg in 1949.
Bron: Het Utrechts Archief 825370 - Fotograaf: C. Raue sr.

Alleen voor harde werkers

Niet alle studenten uit Utrecht volbrengen het oogstkamp in Brabant met succes, zo blijkt uit het schrijven van de firma. Uit de correspondentie doemt het beeld van nogal wat uitvallers. Volgens de firma ligt de uitval onder werkstudenten soms aan de weersomstandigheden. Feit blijft dat de werkstudenten niet bepaald warm liepen voor deze klus. Jaarlijks deed de commissie haar best om nieuwe werkstudenten te werven voor het plukken van zacht fruit in Brabant.

Over de studenten die wel naar Brabant kwamen om te werken was de firma: “Zeer tevreden over de geleverde prestaties en overwegend pracht mentaliteit der studenten. Laten wij tenslotte ook nog even de opvoedende zijde bezien. Namelijk het aankweken van waardering voor eenvoudige nederige handenarbeid bij de toekomstige intellectuelen, door dit gezamenlijke met de eenvoudige plattelandsbevolking uit te voeren in de vrije natuur en dit met alle voor en nadelen hieraan verbonden zelf te beleven.”

De kennismaking tussen student en plattelandsbewoners

Met deze klus werkten de studenten misschien niet aan hun cv, maar zij maakten wel kennis met een andere bevolkingsgroep. De Utrechtse werkstudenten doen het oogstwerk samen met andere door de firma ingehuurde arbeidskrachten. Het betekent voor zowel de studenten als de plattelandsbewoners een kennismaking met een onbekende groep. Zo schrijft de firma aan de commissie dat de plattelandsbewoners versteld staan van de ”zuinigheid der studenten in het algemeen.” De student op zijn beurt “staat verstomd” hoe hard de plattelandsbevolking kan werken door ”lichaamelijke uithoudingsvermogen en routine.”

In de jaren vijftig, als de wederopbouw op stoom komt, zet de opmars van de werkstudent voort en krijgt de commissie het druk. Zo kunnen studenten uit Utrecht aan de slag als houtzager op Texel en verteller van sprookjes in de Efteling.
Alle artikelen